Vierhonderd miljard liter zoetwater. Zoveel zit er in het IJsselmeer, onze eigen regenton aan de rand van de Randstad. Toch heeft de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling opnieuw opgeschaald naar "dreigend watertekort". Hoe kan dat? Het antwoord zit in een dun schijfje van twintig centimeter, een kwetsbare Rijnafvoer en een land dat aan alle kanten tegelijk om zoetwater vraagt.
Slechts een dun schijfje is bruikbaar
Op papier lijkt het IJsselmeer onuitputtelijk, maar Rijkswaterstaat mag het peil slechts binnen een smalle bandbreedte laten schommelen. In de zomer beweegt het officieel tussen tien en dertig centimeter onder NAP; in een crisis mag het uiterste zakken tot veertig centimeter onder NAP. Alleen die bovenste twintig centimeter is écht inzetbaar voor de watervoorziening. Dieper mag niet: dijken worden instabiel, natuurgebieden vallen droog, drinkwaterinlaatpunten komen boven
water te liggen en de scheepvaart loopt vast. Van die vierhonderd miljard liter is in de praktijk dus maar een fractie beschikbaar om uit te delen.
Zonder Rijn geen IJsselmeer
Het meer wordt bijna volledig gevoed door de IJssel, en die krijgt zijn water uit de Rijn. Zakt de Bovenrijn onder de 1.250 kubieke meter per seconde, dan is de IJsselafvoer nog net genoeg om de verdamping van het meer te compenseren. Een buffer opbouwen lukt dan niet meer. Een droog voorjaar in de Alpen, weinig sneeuwsmelt in Zwitserland en een schrale zomer in Duitsland tikken zo direct door in Amsterdam, Friesland en de Achterhoek.
De vraag komt van alle kanten tegelijk
Uit het IJsselmeer wordt een gigantisch gebied gevoed: Noord-Nederland, Flevoland, delen van Noord-Holland en Utrecht, en via een fijnmazig kanalenstelsel ook de hoge zandgronden in Oost-Nederland. Drinkwaterbedrijven, boeren met beregening, industrie, natuurgebieden en waterschappen die sloten doorspoelen tegen verzilting trekken tegelijkertijd aan dezelfde kraan. Zelfs een peilverhoging van vijf centimeter, goed voor ruim honderd miljoen kubieke meter extra, is in een
hittegolf binnen enkele weken weggetrokken.
Verzilting vreet ongemerkt aan de voorraad
Bij lage rivierafvoer duwt de Noordzee zout water verder de kust en het Noordzeekanaal in. Om inlaatpunten bij onder meer Gouda en het Amsterdam-Rijnkanaal zoet te houden, moet Rijkswaterstaat extra IJsselmeerwater door de sloten spoelen. Elke kubieke meter die naar het bestrijden van verzilting gaat, kan niet naar een aardappelakker of natuurgebied. Zo verdwijnt een deel van de reserve zonder dat iemand het ziet.
Grondwater herstelt niet uit een meer
Het pijnlijkste tekort zit niet in het meer, maar in de bodem. Op de zandgronden van de Veluwe, Twente, Brabant en Limburg staan de grondwaterstanden al jaren te laag. Water uit het IJsselmeer kan daar per definitie niet komen: water stroomt niet bergop. En regen die er wél valt, verdwijnt via sloten en gemalen razendsnel naar zee, omdat Nederland decennialang is ingericht op afvoeren in plaats van vasthouden. De opslagruimte in de bodem is beperkt en het herstel gaat traag.
Klimaat maakt de rekening groter
Verdamping vanuit het meer zelf is procentueel klein, maar over heel Nederland verdampt in een hete zomer veel meer dan er valt. KNMI en Rijkswaterstaat rekenen voor 2050 al met een aanzienlijk grotere benodigde zoetwaterbuffer dan de vierhonderd miljoen kubieke meter die het huidige flexibele peilbeheer oplevert. Met andere woorden: de regenton is nu al aan de kleine kant, en hij wordt in verhouding elk decennium iets krapper.