De Nederlandse werkloosheidsuitkering mag straks zes maanden mee naar het buitenland, en voor sommige groepen zelfs de volle rit. Den Haag verzette zich, verloor, en kondigt nu een tegenstem aan die niets meer verandert. De pijnlijkste vraag is niet wat dit kost, maar wie er nog over gaat. Veel (rechtse) mensen moeten al niet veel hebben van solidariteit en dit gaat niet helpen.
Stel je voor, je buurman wordt werkloos en vervolgens gaat hij een half jaar aan de Zwarte Zee in goedkoop Europees land wonen. En stuurt af en toe jou een vriendelijke briefkaart, omdat je zijn planten water geeft.
Negen jaar onderhandelen, drie kabinetten, twee eerdere blokkades — en dan alsnog dit. De herziening van de Europese coördinatieregels voor sociale zekerheid verdubbelt de termijn waarin een werkloze zijn uitkering meeneemt naar een andere lidstaat: van drie naar zes maanden. Wie na 22 weken werken in Nederland werkloos wordt en in een ander land woont, mag straks vanuit dat woonland de volledige uitkeringsduur Nederlandse WW ontvangen.
Twee keer gewonnen, één keer weggestemd
In 2019 sneuvelde een vrijwel identiek akkoord op een blokkerende minderheid, mede dankzij Nederlandse lobby. In 2021 gebeurde precies hetzelfde. Derde keer, andere afloop: in de ambassadeursvergadering van eind april konden nog maar vijf lidstaten het akkoord niet steunen. Nederland was er één van. Eén land maakte een voorbehoud. De rest ging om.
Het Europees Parlement stemde begin juli in. De Raad zet er in september formeel een handtekening onder. Nederland stemt tegen — bij een besluit dat op dat moment al genomen is.
Twee keer wonnen we op de tegenstem. De derde keer bleek die tegenstem een persbericht.
De uitvoering ligt straks in Warschau, Boekarest of Madrid
Wie zijn WW exporteert, valt onder het toezicht van het land waar hij naartoe gaat. Dat land bemiddelt naar werk en dat land controleert of de uitkering nog rechtmatig is. Nederland betaalt, een buitenlandse instantie beoordeelt. Zes maanden lang, straks.
Dat het kabinet daar somber over is, valt niet weg te schrijven als xenofobie: het is een uitvoeringsprobleem. In Nederland zijn de systemen aan elkaar geknoopt en is zichtbaar of iemand werk hervat. Die koppeling bestaat met geen enkele andere lidstaat. En wie exporteert, vindt aantoonbaar minder vaak werk dan wie hier blijft. Toch wordt de termijn verdubbeld — met als motivering dat een langere zoekperiode de kans op werk juist vergroot.
Een Nederlandse poging om de scherpste kantjes eraf te halen, door buitenlandse inkomsten mee te laten wegen in de hoogte van de uitkering, haalde het niet. Zelfs de troostprijs werd geweigerd.
Het bedrag is klein, de belediging groot
En dan het ongemakkelijke deel, want daar is deze discussie nooit eerlijk over geweest. De verlenging van drie naar zes maanden kost naar raming zo'n 1,6 miljoen euro per jaar. Beide exportverruimingen samen: 12,2 miljoen. Het hele werkloosheidshoofdstuk: ongeveer 14 miljoen. Op een WW-uitgave van vele miljarden is dat geen gat in de begroting, dat is een afrondingsverschil.
Veertien miljoen op miljarden. Dit gaat niet over geld, dit gaat over wie de regels schrijft.
Wie het verzet dus verkoopt als bescherming van de portemonnee van de hardwerkende Nederlander, verkoopt onzin. Wat hier werkelijk speelt is iets ernstigers: een uitkering die is opgebracht door Nederlandse premiebetalers, wordt buiten Nederland uitgevoerd, gecontroleerd en gehandhaafd, terwijl de Nederlandse wetgever daar niets meer over te zeggen heeft. Dát tart het rechtvaardigheidsgevoel — niet de 1,6 miljoen.
De feiten
De exporttermijn voor een werkloosheidsuitkering gaat van drie naar zes maanden. Lidstaten mogen die termijn zelf nog verder verlengen. Wie 22 weken in het werkland heeft gewerkt, valt voor de uitkering onder dat werkland in plaats van het woonland. Het ontvangende land blijft verantwoordelijk voor bemiddeling en controle. De regels voor werkloosheid gaan pas twee jaar na publicatie in.
Heeft Nederland hier nog iets over te zeggen?
Het kabinet zegt zich te blijven inzetten bij toekomstige voorstellen. Dat klinkt strijdbaar en betekent weinig: de tekst ligt vast, het krachtenveld verandert niet, en over twee jaar gaat de regel gewoon in. De noodrem die in 2019 al te zwaar werd bevonden, ligt nu helemaal buiten bereik.
Blijft over één vraag, en het is geen retorische. Als een land twee keer een besluit kan tegenhouden en de derde keer wordt weggestemd op een dossier dat zijn eigen sociale zekerheid raakt — was dat dan verlies van een stemming, of verlies van zeggenschap? Wie het antwoord makkelijk vindt, heeft de vraag niet begrepen.
Meer weten?