Wie na dertig jaar huwelijk uit elkaar gaat, verdeelt het huis, de spaarrekening — en het pensioen. Dat laatste is meestal de duurste post, en tegelijk de post waar het vaakst iets misgaat. Een rekensom, een vergeten formulier en een wet die al jaren op stemming wacht. In 2024 eindigden ruim 25.000 Nederlandse huwelijken in een
echtscheiding. Een fors deel daarvan betreft mensen die de pensioenleeftijd naderen of al gepasseerd zijn. Precies die groep heeft het meeste te verliezen: het pensioen is dan grotendeels opgebouwd, de resterende werkjaren om het gat te dichten zijn op.
De hoofdregel: de helft van de huwelijkse jaren
De standaardregel is simpeler dan de meeste mensen denken. Beide ex-partners hebben recht op de helft van het ouderdomspensioen dat de ander tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap heeft opgebouwd. Wat je vóór het huwelijk of na de scheidingsdatum opbouwde, blijft buiten schot. Het huwelijksgoederenregime maakt niet uit: ook met huwelijkse voorwaarden geldt de verdeling, tenzij je die uitdrukkelijk hebt uitgesloten.
Reken het eens door. Stel: een ouderdomspensioen van 24.000 euro bruto per jaar, opgebouwd in veertig dienstjaren, waarvan 25 jaar binnen het huwelijk. Het huwelijkse deel is dan 15.000 euro per jaar. Daarvan gaat de helft — 7.500 euro bruto per jaar, oftewel 625 euro per maand — naar de ex-partner. Levenslang.
Het pensioen is bij een grijze scheiding vaak het grootste vermogensbestanddeel, en tegelijk het onzichtbaarste
Tegenover dat verlies staat één opsteker: de AOW wordt niet verdeeld. Sterker nog, alleenstaanden krijgen een hogere uitkering dan samenwonenden. Vanaf 1 juli 2026 is de volledige AOW voor een alleenstaande 1.662,16 euro bruto per maand, tegen 1.139,39 euro per persoon voor gehuwden en samenwonenden. Dat scheelt 522,77 euro bruto per maand per persoon.
Wie na de scheiding alleen gaat wonen, ziet de AOW dus stijgen. Maar de vaste lasten stijgen harder: één huurwoning, één energiecontract en één gemeentelijke aanslag zijn er ineens twee.
| Situatie | Bruto AOW per maand (vanaf 1 juli 2026) |
| Alleenstaand | € 1.662,16 |
| Gehuwd of samenwonend, per persoon | € 1.139,39 |
| Verschil per persoon | € 522,77 |
De valkuil: het formulier van twee jaar
Hier gaat het in de praktijk mis. De pensioenuitvoerder betaalt het verevende deel alleen rechtstreeks aan de ex-partner uit als de scheiding binnen twee jaar is gemeld met het officiële mededelingsformulier. Meld je te laat, dan vervalt het recht op verdeling niet — maar de uitvoerder is niet langer verplicht apart uit te betalen. Je moet het geld dan zelf bij je ex opvragen, ieder jaar opnieuw, tot een van beiden overlijdt.
Nog een addertje: een klein pensioen wordt helemaal niet verevend. Ligt het deel dat naar de ex zou gaan op de scheidingsdatum onder 632,63 euro bruto per jaar — het grensbedrag voor 2026 — dan blijft het gewoon bij de opbouwer.
Wie het formulier vergeet, houdt zijn recht, maar verliest zijn zekerheid
Waarom de huidige regeling zo wankel is
De grootste weeffout van de huidige wet: het uitbetaalde deel is gekoppeld aan het leven van degene die het pensioen opbouwde. Overlijdt die eerst, dan stopt de uitbetaling aan de ex-partner. Ook de ingangsdatum ligt niet in eigen hand — pas als de ex-partner met pensioen gaat, begint het geld te lopen. Wie eerder stopt met werken, moet dus al eerder delen.
Dit verandert er binnenkort
Er ligt een wet klaar die daar een einde aan maakt: de Wet pensioenverdeling bij scheiding. Conversie wordt daarin de standaard. Het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen én partnerpensioen worden opgeteld, gehalveerd en omgezet in een eigen, zelfstandige aanspraak voor de ex-partner. Die kiest dan zelf de ingangsdatum en houdt het recht ook als de ex overlijdt. Bovendien regelt de pensioenuitvoerder de standaardverdeling voortaan zelf; alleen wie ervan afwijkt, moet dat melden — binnen zes maanden na inschrijving van de scheiding.
De wet is nog niet ingegaan. De behandeling in de Tweede Kamer is inhoudelijk afgerond, maar de stemming heeft nog niet plaatsgevonden. Vanwege de samenloop met de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel wordt in de voorjaarsbrief van 2026 uitgegaan van inwerkingtreding per 1 januari 2028. Scheid je nu, dan gelden dus nog volledig de oude regels.
En dan is er nog het nabestaandenpensioen
Een stille verliespost die weinig aandacht krijgt. In het nieuwe pensioenstelsel is het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum uitsluitend een risicoverzekering: er wordt geen waarde opgebouwd. Gevolg: bij een scheiding vóór de pensioendatum ontstaat er geen bijzonder partnerpensioen meer voor de ex-partner. Overlijdt de opbouwer voor zijn pensioendatum, dan staat de ex met lege handen. Scheiden ná de pensioendatum pakt op dat punt gunstiger uit, want vanaf dat moment is het partnerpensioen wél op opbouwbasis geregeld.
Feiten op een rij
- Standaardverdeling: 50 procent van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd.
- Melden bij de pensioenuitvoerder binnen twee jaar, anders geen rechtstreekse uitbetaling.
- Ondergrens 2026: 632,63 euro bruto per jaar; daaronder geen verdeling.
- Verwachte inwerkingtreding van de nieuwe verdeelwet: 1 januari 2028.
Wat je nu al kunt doen
Vraag bij elke pensioenuitvoerder een opgave op van het pensioen dat precies tussen huwelijksdatum en scheidingsdatum is opgebouwd. Leg de gemaakte afspraken schriftelijk vast in het convenant — ook als je juist afziet van verdeling. Stuur het mededelingsformulier op tijd op, ook bij afwijkende afspraken. En bereken of conversie, die nu al vrijwillig kan worden afgesproken, in jouw situatie gunstiger uitpakt dan de standaardverevening. Bij een groot leeftijdsverschil of een fragiele gezondheid van de ex-partner scheelt dat aanzienlijk.
Meer weten?