Veel eigenschappen die we als “zwakte” wegzetten –
een rommelig bureau, dagdromen, overdenken, wat
chaotisch zijn – blijken in de psychologie juist vaak te koppelen aan sterke kanten zoals creativiteit en probleemoplossend vermogen. Wat ongemakkelijk voelt in een kantoor of relatie, kan in je hoofd precies zijn wat je slimmer maakt.
Onderzoekers van de University of Minnesota lieten mensen taken doen in een strak opgeruimde of juist rommelige ruimte. In de nette kamer kozen deelnemers vaker voor ‘braaf’ gedrag, zoals gezond eten en geld geven aan een goed doel. In de rommelige ruimte kwamen deelnemers met originelere en creatievere ideeën voor nieuwe toepassingen van een object, aldus de psycholoog Kathleen Vohs: een rommelige omgeving lijkt dus niet alleen slordigheid, maar ook vernieuwing te stimuleren. De zogenoemde “creatieve puinhoop” maskeert daarmee een vorm van cognitieve flexibiliteit.
Ook mentaal “afdwalen” wordt snel gezien als gebrek aan discipline, terwijl hersenonderzoek iets anders laat zien. In een
studie van Georgia Tech rapporteerden mensen die vaker dagdromen hogere scores op intelligentie- en creativiteitstests én efficiëntere hersennetwerken in de MRI-scanner. Wie vaak afdwaalt, heeft blijkbaar zóveel verwerkingscapaciteit dat het brein zichzelf extra werk zoekt.
Dat wil niet zeggen dat elke vorm van
chaos gezond is. Chronische stress of verlammend piekeren kunnen functioneren juist ondergraven, zelfs bij bovengemiddelde cognitieve vermogens. De kunst is om het “lastige” deel – de rommel, het overdenken, het dwalen – te herkennen als ruwe grondstof, en er vervolgens grenzen en structuren omheen te bouwen in plaats van het volledig te willen uitroeien.
Misschien ligt de echte kracht dus niet in het perfecte plaatje, maar in het ongemakkelijke randje dat je liever zou wegpoetsen. Juist dat stukje kan het signaal zijn van een creatiever, complexer brein dan je zelf denkt. Wat je als tekort ziet, is soms gewoon ongepolijste intelligentie.