Je kunt leugens beter horen dan zien: moderne psychologen vinden nauwelijks betrouwbare lichaamstaalsignalen, maar wel patronen in wat en hoe iemand praat.
Wat wél iets zegt (verbaal)
Inconsistenties: het verhaal schuurt met eerder vertelde versies of met feiten die je zelf kent.
Weinig controleerbare details: leugenaars vermijden concrete, verifieerbare informatie (tijd, plek, namen) omdat die te checken is.
Te weinig of juist opeens extra ingestudeerde details bij doorvragen, vooral bij onverwachte vragen of als je terugkomt op hetzelfde punt.
Taalbruggetjes als “later”, “toen opeens”, “en uiteindelijk” kunnen wijzen op overgeslagen stukken, zeker als dat vaker gebeurt rond gevoelige momenten.
Hoe onderzoekers leugens uitlokken
Onverwachte vragen stellen (andere volgorde, andere invalshoek) maakt een verzonnen verhaal cognitief zwaar; dan ontstaan gaten en tegenspraken.
Iemand eerst vrij laten vertellen en pas later stap voor stap confronteren met informatie (Strategic Use of Evidence) vergroot de kans op “statement–evidence inconsistencies”.
De ander actief stimuleren om méér te vertellen (Cognitive Credibility Assessment) werkt: waarheidvertellers vullen makkelijk aan, leugenaars haken eerder af of blijven vaag.
Waar je níet op moet vertrouwen
Klassieke tips als “wie wegkijkt liegt” kloppen niet: non-verbale signalen blijken zwak en onbetrouwbaar als leugendetector.
Mensen die op lichaamstaal letten, scoren gemiddeld niet beter dan toeval in leugentestjes; getrainde professionals alleen iets beter, en vooral als ze op verbale inhoud letten.