Eeuwenlang werd empathie gezien als typisch vrouwelijk, terwijl daadkracht en dominantie als mannelijk golden. In 1705 schreef de filosoof Mary Astell al cynisch dat succesvolle vrouwen werden weggezet als “mannen in rokken”. En zelfs Elizabeth I benadrukte dat zij “het hart en de maag van een koning” had alsof leiderschap per definitie mannelijk moest zijn.
Die denkbeelden zijn blijven hangen. We zien empathie nog steeds als een natuurlijke vrouwelijke eigenschap. Mannen die veel empathie tonen, worden eerder als zwak bestempeld. Maar klopt het eigenlijk wel dat vrouwen van nature empathischer zijn?
Psycholoog Simon Baron-Cohen van de University of Cambridge stelde dat het ‘vrouwelijke brein’ sterker is bedraad voor empathie, terwijl het ‘mannelijke brein’ beter is in systematiseren. Hij vond aanwijzingen dat blootstelling aan testosteron in de baarmoeder samenhangt met lagere scores op empathietests.
Maar veel onderzoekers plaatsen daar vraagtekens bij. Neurowetenschapper Gina Rippon spreekt van de hardnekkige mythe van het ‘vrouwelijke brein’. Uit internationaal onderzoek blijkt weliswaar dat vrouwen gemiddeld iets hoger scoren op empathievragenlijsten, maar de verschillen zijn klein en overlappen sterk. In 21 van de 57 onderzochte landen waren de scores vrijwel gelijk. Bovendien is de variatie onder mannen en onder vrouwen veel groter dan het verschil tussen de seksen.
Een grootschalige genetische studie onder leiding van Varun Warrier onder ruim 46.000 deelnemers liet zien dat slechts ongeveer tien procent van de verschillen in empathie genetisch verklaarbaar is en geen van die genen hangt samen met iemands geslacht. Dat wijst vooral op de invloed van opvoeding en omgeving.
Socialisatie: van poppen tot power
Van jongs af aan leren meisjes dat ze ‘lief’ moeten zijn en rekening moeten houden met anderen. Jongens krijgen vaker speelgoed dat draait om actie en techniek. Volgens Rippon worden meisjes zo gestimuleerd om emoties te herkennen en erop te reageren, niet omdat ze dat beter kunnen, maar omdat het van hen verwacht wordt.
Interessant is dat empathie bovendien samenhangt met macht. Mensen die zichzelf lager op de sociale ladder plaatsen, blijken beter in het lezen van emoties. Historisch hebben mannen meer macht gehad in politiek en bedrijfsleven. Minder noodzaak om emoties van machthebbers te peilen, kan empathisch gedrag dempen.
Empathie is trainbaar
Neurologisch onderzoek laat zien dat mannen- en vrouwenbreinen vergelijkbaar reageren op pijnlijke gezichtsuitdrukkingen. Het verschil ontstaat vaak pas bij zelfrapportage. In experimenten waarin mannen vooraf te horen kregen dat mannen óók goed zijn in zorgzaamheid, verdween het empathieverschil volledig.
Psycholoog Sara Hodges toonde bovendien aan dat wanneer deelnemers financieel werden beloond voor het correct inschatten van andermans gevoelens, zowel mannen als vrouwen beter scoorden. Motivatie maakt dus uit.
Empathie blijkt geen vast karaktertrekje, maar een dynamisch proces dat gedurende het leven kan groeien. Dat inzicht heeft grote gevolgen. Het idee dat leiders dominant moeten zijn, benadeelt vrouwen. Tegelijk kan het stereotype dat mannen minder empathisch zijn bijdragen aan sociale isolatie, een risicofactor voor suïcide, wat bij mannen vaker voorkomt.
Volgens socioloog Niall Hanlon verschuift het beeld van mannelijkheid langzaam. Meer mannen willen actief zorgen en emotioneel betrokken zijn. Een masculiene identiteit waarin empathie ruimte krijgt, is niet alleen eerlijker, maar ook gezonder.
De conclusie van de wetenschap is helder: vrouwen zijn niet ‘van nature’ empathischer dan mannen. We zijn vooral goed geworden in het spelen van de rol die de samenleving van ons verwacht. Zodra die verwachtingen veranderen, verandert de empathie mee.