Nu de temperatuur stijgt, schuift op veel werkvloeren de kledinggrens op: teenslippers, blote schouders en naveltruitjes duiken op tussen Teams-calls en kantoortuinen. Juridisch mag een werkgever veel, cultureel verandert er minstens zoveel.
Hoe ver reikt de vrijheid om jezelf te kleden op je werk?tDe vraag laait elke zomer op: wat trek je aan naar kantoor als het dertig graden is – en mag dat ook een outfit zijn die zó van het strand lijkt te komen? HR-afdelingen worstelen met flipflops,
crop tops en halterjurkjes in open ruimtes waar klanten binnenlopen, terwijl werknemers wijzen op persoonlijke stijl, hittegolven en het ontbreken van een formele dresscode. In veel organisaties is “business casual” inmiddels norm, maar wat daar precies onder valt, blijkt zelden scherp omschreven.
De wet geeft werknemers geen lijstje met verboden kledingstukken, maar werkgevers wel een ruim instructierecht: zij mogen voorschriften opstellen die de goede orde, veiligheid en professionaliteit dienen, zolang die redelijk zijn en niet botsen met grondrechten zoals privacy, gelijke behandeling of godsdienstvrijheid. In de praktijk betekent dat: een verbod op teenslippers bij de receptie of blote schouders in de rechtszaal is verdedigbaar, maar selectief handhaven – wel tegen de jonge
vrouw in een topje, niet tegen de man in een doorschijnend overhemd – schuurt tegen discriminatie aan.
Daaronder speelt een generatieconflict dat zelden hardop wordt benoemd. Jongere medewerkers vinden authenticiteit en comfort minstens zo belangrijk als status en hiërarchie, en verwachten dat werkgevers aansluiten bij hun waarden rond inclusiviteit, welzijn en flexibiliteit. Voor veel Gen Z’ers is een “strandjurk met sandalen” een volkomen normale kantooroutfit, terwijl oudere collega’s hetzelfde zien als nonchalance of gebrek aan respect. Als daarbovenop informele kledingregels gelden die vooral impliciet en cultureel worden doorgegeven, is de kans op misverstanden groot.
Wat op het spel staat, is meer dan een paar blote schouders. Kledingnormen bepalen wie serieus wordt genomen, wie als “professioneel” geldt en wie als “lastig” of “ongepast” wordt weggezet. Een onduidelijke of eenzijdig geïnterpreteerde dresscode kan zo bijdragen aan subtiele vormen van uitsluiting, van jonge starters tot vrouwen en minderheden, die zich vaker beoordeeld voelen op uiterlijk. Transparante, visueel gemaakte afspraken – met voorbeelden van wat wél en niet kan – werken beter dan mopperen aan het koffieapparaat én geven ruimte om de norm mee te laten schuiven met veranderende opvattingen.
Misschien is de echte vraag dus niet of teenslippers en blote schouders “mogen”, maar wie er de macht heeft om te bepalen hoe professionaliteit eruitziet.