Gemiddeld gaan de cao-lonen dit jaar met ruim vier procent omhoog. Prettig cijfer, maar volstrekt nietszeggend voor je eigen loonstrook. Werk je bij een woningcorporatie, dan kreeg je er in het eerste kwartaal 8,1 procent bij. Werk je bij een afvalverwerker, dan bleef de teller steken op 1,7 procent. Bijna vijf keer zo weinig, voor precies dezelfde inflatie.
De loongolf die in 2023 begon, koelt af. In het derde kwartaal van 2024 piekten de cao-lonen op 6,8 procent; in het eerste kwartaal van 2026 was dat 4,5 procent, in het tweede kwartaal 4,3 procent. Toch is er nog altijd reëel iets bij gekomen: gecorrigeerd voor inflatie stegen de lonen in het eerste kwartaal met 2,0 procent, het tiende positieve kwartaal op rij.
Dat gemiddelde verhult wel drie soorten ongelijkheid tegelijk: tussen bedrijfstakken, tussen provincies en tussen werknemers met en zonder cao.
Bijna vijf keer zoveel loonsverhoging voor precies dezelfde boodschappen: het gemiddelde zegt niets over jouw portemonnee.
De verschillen per bedrijfstak
De uitschieters van dit jaar zijn de sectoren die vorig jaar juist stilstonden. Woningcorporaties gingen van nul procent naar 8,1 procent. In informatie en communicatie gebeurde het omgekeerde: van 9,2 procent naar 3,3 procent. Inhaalslagen en pauzejaren wisselen elkaar af, en wie op het verkeerde moment van baan wisselt, mist een ronde.
| Bedrijfstak | Q1 2026 | Q1 2025 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 8,1% | 0,0% |
| Bouwnijverheid | 7,2% | 6,2% |
| Financiële dienstverlening | 5,8% | 4,7% |
| Specialistische zakelijke diensten | 5,7% | 4,6% |
| Cultuur, sport en recreatie | 5,2% | 4,3% |
| Industrie | 4,7% | 6,1% |
| Verhuur en overige zakelijke diensten | 4,7% | 6,5% |
| Totaal | 4,5% | 5,4% |
| Overige dienstverlening | 4,4% | 8,8% |
| Handel | 4,2% | 4,8% |
| Onderwijs | 4,1% | 5,0% |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 4,0% | 5,0% |
| Horeca | 3,8% | 4,9% |
| Vervoer en opslag | 3,7% | 4,5% |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 3,5% | 4,4% |
| Energievoorziening | 3,4% | 3,9% |
| Informatie en communicatie | 3,3% | 9,2% |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 3,0% | 4,8% |
| Waterbedrijven en afvalbeheer | 1,7% | 6,6% |
| Provincie | Mediaan maandsalaris | Stijging Q1 2026 |
| Utrecht | € 3.848 | +3,57% |
| Noord-Holland | € 3.840 | +3,56% |
| Zuid-Holland | € 3.773 | +3,07% |
| Flevoland | € 3.630 | +2,26% |
| Noord-Brabant | € 3.596 | +2,74% |
| Gelderland | € 3.586 | +2,86% |
| Overijssel | € 3.522 | +3,42% |
| Drenthe | € 3.520 | +3,56% |
| Friesland | € 3.519 | +3,91% |
| Limburg | € 3.500 | +3,40% |
| Zeeland | € 3.444 | +3,59% |
| Groningen | € 3.438 | +3,28% |
Loonstijging per provincie in het eerste kwartaal van 2026. Friesland kleurt het donkerst, Flevoland het lichtst.
De grofste tweedeling loopt tussen markt en staat. Particuliere bedrijven zaten in het eerste kwartaal op 4,9 procent, gesubsidieerde instellingen op 4,1 procent en de overheid op 3,4 procent. In het tweede kwartaal verschoof dat naar respectievelijk 4,5, 4,3 en opnieuw 3,4 procent. Ambtenaren zijn structureel de achterblijvers.
De verschillen per provincie
Bij de provincies gaat het niet om de stijging maar om het niveau. Tussen de best en slechtst betalende provincie zit ongeveer elf procent verschil in het mediane maandsalaris in het midden- en kleinbedrijf.
| Bedrijfstak | Q1 2026 | Q1 2025 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 8,1% | 0,0% |
| Bouwnijverheid | 7,2% | 6,2% |
| Financiële dienstverlening | 5,8% | 4,7% |
| Specialistische zakelijke diensten | 5,7% | 4,6% |
| Cultuur, sport en recreatie | 5,2% | 4,3% |
| Industrie | 4,7% | 6,1% |
| Verhuur en overige zakelijke diensten | 4,7% | 6,5% |
| Totaal | 4,5% | 5,4% |
| Overige dienstverlening | 4,4% | 8,8% |
| Handel | 4,2% | 4,8% |
| Onderwijs | 4,1% | 5,0% |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 4,0% | 5,0% |
| Horeca | 3,8% | 4,9% |
| Vervoer en opslag | 3,7% | 4,5% |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 3,5% | 4,4% |
| Energievoorziening | 3,4% | 3,9% |
| Informatie en communicatie | 3,3% | 9,2% |
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 3,0% | 4,8% |
| Waterbedrijven en afvalbeheer | 1,7% | 6,6% |
| Provincie | Mediaan maandsalaris | Stijging Q1 2026 |
| Utrecht | € 3.848 | +3,57% |
| Noord-Holland | € 3.840 | +3,56% |
| Zuid-Holland | € 3.773 | +3,07% |
| Flevoland | € 3.630 | +2,26% |
| Noord-Brabant | € 3.596 | +2,74% |
| Gelderland | € 3.586 | +2,86% |
| Overijssel | € 3.522 | +3,42% |
| Drenthe | € 3.520 | +3,56% |
| Friesland | € 3.519 | +3,91% |
| Limburg | € 3.500 | +3,40% |
| Zeeland | € 3.444 | +3,59% |
| Groningen | € 3.438 | +3,28% |
Opvallend: de randstadprovincies betalen het best, maar de sterkste groei zat in Friesland. Flevoland doet het omgekeerde: bovengemiddeld
salaris, laagste groei van het land.
Utrecht betaalt elf procent beter dan Groningen. De inkomstenbelasting kent dat onderscheid niet.
Wel of geen cao
Dan de derde scheidslijn. In het midden- en kleinbedrijf verdienen werknemers zonder cao méér: een mediaan van 4.000 euro tegen 3.513 euro binnen een cao. Maar de cao-groep loopt in. Hun loon steeg in het eerste kwartaal met 3,78 procent, tegen 2,56 procent daarbuiten, en sinds 2018 met 39,5 tegen 32,2 procent.
Aan de basis van het loongebouw beweegt intussen het minst. Het wettelijk minimumuurloon ging per 1 juli 2026 met 1,9 procent omhoog, van 14,71 naar 14,99 euro — nog geen half zoveel als de gemiddelde cao-stijging.
Kader: hoe de cijfers zijn gemeten
De cao-cijfers gaan over uurlonen inclusief bijzondere beloningen en dekken de drie kwart van de werknemers die onder een cao valt; de kwartaalcijfers voor 2026 zijn voorlopig. De provinciecijfers komen uit een loonindex op basis van ruim 1,2 miljoen geanonimiseerde loonstroken per maand uit het mkb en betreffen mediane maandsalarissen, niet cao-afspraken.
Meer weten?