Waarom denken sommige mensen dat we in een simulatie leven? Een wetenschapper legt het uit

Wetenschap
zaterdag, 07 februari 2026 om 16:35
ANP-546514052
Sommige dingen kun je direct waarnemen. Je vingers, bijvoorbeeld. Andere dingen zie je alleen via een omweg: je kin in een spiegel of camera. En weer andere dingen kun je helemaal niet zien, maar geloof je toch, omdat je ouders, een leraar of een boek het je verteld hebben.
Een natuurkundige gebruikt gevoelige meetinstrumenten en ingewikkelde wiskunde om uit te zoeken wat echt is en wat niet. Maar geen enkele bron van kennis is feilloos. Metingen kunnen fout zijn, berekeningen kunnen misgaan en zelfs je eigen ogen kunnen je bedriegen – denk aan die beroemde jurk waar niemand het eens over werd welke kleur hij had.
Omdat elke bron van informatie ons soms misleidt, vragen mensen zich al duizenden jaren af: kunnen we ooit echt zeker weten wat waar is?
Als je niets volledig kunt vertrouwen, hoe weet je dan zeker dat je wakker bent? De Chinese filosoof Zhuangzi droomde ooit dat hij een vlinder was. Na het ontwaken vroeg hij zich af: was hij een mens die droomde dat hij een vlinder was of een vlinder die nu droomde dat hij een mens was?
Ook Plato twijfelde aan de werkelijkheid. Misschien, zo stelde hij, zien we niet de echte wereld, maar slechts schaduwen ervan. Een idee dat vandaag nog steeds bestaat: wat als onze werkelijkheid meer lijkt op een videogame of op The Matrix?
De simulatiehypothese
De zogenoemde simulatiehypothese is een moderne poging om deze oude vragen logisch te beantwoorden. Twintig jaar geleden formuleerde filosoof Nick Bostrom een beroemd gedachte-experiment. Hij keek naar de razendsnelle vooruitgang in videogames, virtual reality en kunstmatige intelligentie en trok die lijn door naar de toekomst.
Stel je voor dat mensen ooit in staat zijn om extreem realistische simulaties te maken, met miljarden of zelfs biljoenen bewuste wezens. Als zo’n gesimuleerd persoon zich van binnen precies zo voelt als jij je nu voelt, maakt het dan uit of hij echt is?
Bostroms redenering is confronterend: als de echte aarde maar één keer heeft bestaan, maar later biljoenen keren wordt gesimuleerd, dan is de kans groot dat jij niet op die ene oorspronkelijke aarde leeft, maar in een van de vele simulaties. Puur logisch gezien is dat zelfs waarschijnlijker.
Bekende wetenschappers en denkers, onder wie Neil deGrasse Tyson, hebben openlijk gezegd dat ze deze mogelijkheid serieus nemen. Tyson schat de kans inmiddels op ongeveer vijftig procent. Ook techondernemer Elon Musk heeft meermaals gesuggereerd dat onze werkelijkheid best eens virtueel zou kunnen zijn.
Leven we dan in een game?
Soms lijkt de wereld inderdaad verdacht veel op een simulatie. De natuurkunde kent een minimale schaal – kleiner dan dat kunnen de theorieën niets zinnigs meer zeggen. En we kunnen niet verder kijken dan zo’n 50 miljard lichtjaar, omdat het licht simpelweg nog niet is aangekomen. Net als in een game waarin je niet voorbij de rand van de kaart kunt kijken of kleiner dan een pixel kunt zien.
Maar eerlijk is eerlijk: daar zijn ook heel gewone verklaringen voor. Misschien heb je je telefoon gewoon verkeerd neergelegd. En beperkingen in onze kennis hoeven geen 'glitches' te zijn.
Het sterke punt van Bostroms betoog is juist dat het geen experimenteel bewijs nodig heeft. Als je gelooft dat mensen ooit massaal zulke simulaties kunnen maken, dan volgt de conclusie bijna vanzelf: dan zullen ze dat ook doen. Tegelijk is er veel scepsis: de benodigde technologie zou zo machtig zijn dat Bostrom de makers zelf “bijna goddelijk” noemt en het is allerminst zeker dat we dat niveau ooit bereiken.
Of we nu in een kosmische versie van Minecraft leven of niet, de simulatiehypothese dwingt ons opnieuw na te denken over een oude, ongemakkelijke vraag: wat betekent het eigenlijk om in een “echte” wereld te leven?
loading

Loading