Nederlanders zijn in een halve eeuw ruim twee keer zo veel gaan uitgeven, gemeten per persoon en gecorrigeerd voor inflatie. Dankzij die groei van de consumptie is Nederland inmiddels opgeschoven naar de vierde plaats in de Europese Unie als het gaat om bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking.
Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de gemiddelde Nederlander nu aanzienlijk meer te besteden heeft dan in de jaren zeventig. Het gaat daarbij niet alleen om hogere prijzen, maar vooral om een sterke stijging van de reële koopkracht en de totale hoeveelheid goederen en diensten die huishoudens afnemen.
Opvallend is dat de samenstelling van de uitgaven in de loop der tijd flink is veranderd. Waar in de jaren zeventig een relatief groot deel van het budget naar primaire levensbehoeften als voeding en kleding ging, nemen die posten nu een kleiner aandeel in. Producten als kleding en voedsel zijn, vergeleken met het inkomensniveau, goedkoper geworden.
Daarentegen gaat een steeds groter deel van het huishoudbudget naar diensten. Zorg,
kinderopvang, onderwijs, reizen en horeca drukken zwaarder op de portemonnee dan vijftig jaar geleden. Ook de kosten voor wonen zijn fors toegenomen: hogere huren, hypotheeklasten en energielasten nemen een groter stuk van het maandelijkse
inkomen in beslag.
Volgens de onderzoekers illustreert de verschuiving dat Nederland niet alleen rijker is geworden, maar ook een andere economie heeft gekregen. De dienstensector is in omvang gegroeid en veel meer mensen maken gebruik van professionele zorg, opvang en andere voorzieningen die vroeger vaak binnen het gezin werden opgevangen. Tegelijkertijd zet de sterke groei van de particuliere consumptie Nederland stevig in de Europese top als een van de welvarendste landen van de Unie.