De economie van
Europa is enorm groot en de meeste rijkdom zit nog steeds in West-Europa. De Europese Commissie verwacht voor de EU een reële groei van rond 1 tot 1,5 procent per jaar in 2025 en 2026, waarbij de eurozone iets langzamer groeit dan de hele Unie.
De kloof tussen grote en kleine economieën in Europa blijft duidelijk zichtbaar. Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk zijn samen goed voor een aanzienlijk deel van het Europese bbp, terwijl kleinere landen slechts een fractie bijdragen. Tegelijk zijn er ook grote verschillen in welvaart per hoofd: Luxemburg, Ierland en Nederland behoren tot de rijkste landen van de EU, terwijl lidstaten in Oost‑Europa onder het EU‑gemiddelde blijven
Zuid‑Europese landen groeien gemiddeld wat sneller dan de rest van de eurozone, mede dankzij het sterke herstel van het
toerisme na de coronapandemie. Spanje en Portugal profiteren van recordaantallen bezoekers, terwijl ook Griekenland en Italië een belangrijke impuls krijgen uit de gastvrijheidssector. Dat helpt om de algemene, gematigde groei in Europa iets op te krikken, maar verandert voorlopig weinig aan het beeld van een traag groeiend continent.