Het klinkt als een aandoening waar je pas op leeftijd mee te maken krijgt, maar schijn bedriegt. Wereldwijd heeft naar schatting 40 procent van de volwassenen osteopenie: een afname van de botdichtheid die zich geruisloos ontwikkelt.
Osteopenie is geen ziekte die je direct voelt. Botten zijn levend weefsel dat voortdurend wordt vernieuwd: oud bot wordt afgebroken en nieuw bot aangemaakt. Tot ongeveer je dertigste levensjaar is dat proces in balans. Daarna verliest het lichaam langzaam terrein: de afbraak gaat sneller dan de opbouw. Het gevolg is een geleidelijke verzwakking van het skelet.
Vooral vrouwen na de menopauze lopen risico. Door de daling van het hormoon oestrogeen – dat botten beschermt – neemt de botafbraak versneld toe. Het resultaat is dat een op de twee vrouwen boven de vijftig een botbreuk oploopt door verminderde botsterkte. Maar ook mannen en jongere mensen zijn niet immuun, zeker niet als leefstijl en gezondheid tegenzitten.
Leefstijl speelt een rol
Roken, overmatig alcoholgebruik en weinig beweging werken botverlies in de hand. Net als een dieet met te weinig calcium of vitamine D. Daarnaast kunnen bepaalde medicijnen, zoals langdurig gebruik van corticosteroïden en aandoeningen zoals de ziekte van Crohn of coeliakie het risico vergroten.
Het verraderlijke van osteopenie is dat de diagnose vaak pas komt na een breuk of bij toeval, via een botdichtheidsmeting (DXA-scan). Die scan levert een zogeheten T-score op: een waarde die aangeeft hoe sterk je botten zijn vergeleken met die van een gezonde jongvolwassene. Tussen –1,0 en –2,5 wijst op osteopenie; daaronder spreken artsen van osteoporose.
Toch is osteopenie niet per definitie een voorportaal van ernstige botziekte. Integendeel: het is vooral een waarschuwingssignaal. Wie er op tijd bij is, kan het proces vertragen of zelfs deels omkeren. Regelmatig bewegen, vooral wandelen, dansen of krachttraining, helpt om botten sterker te maken. Ook voeding speelt een sleutelrol: calciumrijke producten en voldoende vitamine D zijn essentieel.
Medicatie is lang niet altijd nodig. Artsen kijken eerst naar het individuele risico op botbreuken. Pas als dat hoog is, komen geneesmiddelen in beeld.