In onderzoek naar de gezondheid van kinderen gaat de aandacht nog altijd vooral uit naar moeders. Ten onrechte, blijkt uit nieuw onderzoek. Daarin wordt juist de rol van vaders als doorslaggevend gezien voor de fysieke gezondheid van kinderen op latere leeftijd.
Onderzoekers volgden bijna 300 gezinnen met hun eerste kind gedurende de eerste zeven levensjaren. Ze keken niet alleen naar hoe ouders individueel met hun kind omgaan, maar ook naar de manier waarop zij samen opvoeden. Die bredere blik op het gezin levert opvallende inzichten op.
Wat blijkt? Vaders die in de babytijd sensitief, betrokken en liefdevol met hun kind spelen, bouwen vaker een coöperatieve opvoedrelatie op met de moeder. In zulke gezinnen werken ouders goed samen, ondersteunen ze elkaar en ontstaat er een stabiele basis voor het kind.
Het tegenovergestelde patroon is ook zichtbaar. Vaders die minder betrokken en minder gevoelig zijn in het contact met hun baby, belanden vaker in een zogenoemde competitieve of teruggetrokken opvoedstijl. Dat uit zich bijvoorbeeld in strijd om aandacht van het kind of juist afstand nemen van de opvoeding.
Vaker gezondheidsproblemen
Die vroege dynamiek heeft gevolgen die verder reiken dan de gezinsverhoudingen alleen. Kinderen uit gezinnen met een minder betrokken vader vertonen op zevenjarige leeftijd vaker gezondheidsproblemen, zoals verhoogde ontstekingswaarden en een slechtere regulatie van de bloedsuikerspiegel.
Opvallend is dat deze verbanden niet in dezelfde mate werden gevonden bij het gedrag van moeders. Dat betekent niet dat moeders minder belangrijk zijn, maar wel dat vaders een unieke en vaak onderschatte invloed hebben op de gezondheid van hun kind.
De implicaties zijn duidelijk. Wie inzet op gezonde ontwikkeling van kinderen, moet verder kijken dan alleen de moeder. Programma’s en interventies zouden zich moeten richten op het hele gezinssysteem met expliciete aandacht voor de rol van vaders en de samenwerking tussen ouders.