Wie jarenlang met bestrijdingsmiddelen werkt, heeft volgens overzichtsonderzoek een duidelijk verhoogd risico op Parkinson. Toch betekent dat niet dat ieder middel even gevaarlijk is, of dat wonen naast een bespoten akker hetzelfde risico oplevert. Juist dat onderscheid raakt in het debat gemakkelijk zoek.
Wat zeggen de cijfers?
Een wetenschappelijke overzichtsstudie uit 2017 bundelde 23 publicaties over beroepsmatige blootstelling aan pesticiden. Het gemiddelde relatieve risico kwam uit op 1,67: een 67 procent hoger risico dan bij niet-blootgestelden. De statistische onzekerheidsmarge liep van 42 tot 97 procent hoger. De onderzoekers vonden wel aanwijzingen voor publicatiebias bij kleinere studies: onderzoeken met opvallende uitkomsten worden mogelijk vaker gepubliceerd.
Dat percentage vraagt om uitleg. Een 67 procent hoger risico betekent niet dat 67 procent van de blootgestelde mensen Parkinson krijgt. Als het uitgangsrisico in een denkbeeldige groep 1 procent is, wordt het bij zo’n stijging 1,67 procent. Het onderzoek geeft geen persoonlijke voorspelling voor een individuele boer of tuinder.
Een hoger risico is iets anders dan de zekerheid dat iemand ziek wordt.
Een verband is nog geen individuele diagnose
Het RIVM stelt dat buitenlands onderzoek een verband heeft aangetoond tussen het werken met bepaalde bestrijdingsmiddelen en Parkinson bij boeren en tuinders. Dat is een belangrijke aanwijzing, maar geen bewijs dat alle pesticiden hetzelfde effect hebben.
Parkinson ontstaat bovendien door een combinatie van factoren. Het RIVM noemt onder meer ouderdom, leefstijl en langdurige blootstelling aan stoffen in het milieu of op het werk. Daardoor is het moeilijk om bij één patiënt één stof als oorzaak aan te wijzen.
En de buren van de akker?
Voor omwonenden is het antwoord veel minder duidelijk. Volgens het RIVM is nog maar weinig onderzoek gedaan naar hun risico. De cijfers over beroepsmatige blootstelling mogen daarom niet zomaar worden toegepast op mensen die naast landbouwgrond wonen.
Nederlandse onderzoekers brengen inmiddels in kaart of Parkinson samenhangt met blootstelling aan bestrijdingsmiddelen in de woonomgeving. Daarbij vergelijken ze onder meer woonhistorie en gezondheidsregistraties. Onzekerheid betekent hier niet dat gevaar is uitgesloten, maar ook niet dat een bepaald extra risico al vaststaat.
Het risico voor omwonenden is niet hetzelfde als het risico voor mensen die beroepsmatig spuiten.
Een toegelaten middel beantwoordt niet alle vragen
Er speelt nog iets. Volgens het RIVM kan met de huidige toelatingseisen niet goed worden vastgesteld of er een relatie is tussen bestrijdingsmiddelen en Parkinson. Het instituut ontwikkelt daarom binnen het SPARK-project betere testmethodes, onder meer met celkweken en computermodellen. Het project loopt naar verwachting tot 2029.
De zorgvuldigste conclusie: het verband is overtuigend bij beroepsmatige blootstelling als groep. Maar welke afzonderlijke middelen hoeveel risico opleveren, en wat de gevolgen zijn voor omwonenden, vraagt nader onderzoek. Wie dat onderscheid bewaart, neemt zowel de gezondheidszorgen als de wetenschap serieus.
Feitenkader: wat betekent 67 procent meer risico?
Het cijfer komt uit een meta-analyse uit 2017 van 23 publicaties over beroepsmatige blootstelling aan pesticiden. Het is een gemiddeld relatief risico, geen kans van 67 procent om Parkinson te krijgen. De uitkomst geldt niet automatisch voor elk afzonderlijk bestrijdingsmiddel of voor omwonenden van landbouwgrond.