Hoogbegaafdheid wordt veel te jong vastgesteld: veel kinderen blijken later helemaal niet zo slim

psychologie
donderdag, 13 augustus 2026 om 11:46
155059218_m
Kinderen die op jonge leeftijd als hoogbegaafd worden bestempeld, blijken die voorsprong vaak niet vast te houden. Uit een grootschalig Brits onderzoek onder ruim 11.000 kinderen blijkt dat de cognitieve ontwikkeling veel minder voorspelbaar is dan vaak wordt aangenomen. De resultaten zetten vraagtekens bij de manier waarop scholen kinderen al op zeer jonge leeftijd selecteren voor hoogbegaafdheidsprogramma's.
De onderzoekers volgden 11.119 deelnemers vanaf hun vierde tot hun 21e levensjaar. Op verschillende leeftijden maakten zij intelligentietests die waren aangepast aan hun ontwikkelingsfase. Op zevenjarige leeftijd werden de kinderen ingedeeld in een gemiddelde of bovengemiddelde cognitieve groep. Vervolgens brachten de onderzoekers in kaart hoe die scores zich in de jaren daarna ontwikkelden.
De uitkomst is opvallend. Slechts 16 procent van de kinderen die op zevenjarige leeftijd tot de hoogst scorende groep behoorden, had die status op zestienjarige leeftijd nog steeds. De meeste vroege uitblinkers zakten geleidelijk terug naar een gemiddeld niveau. Andersom maakten maar weinig kinderen een inhaalslag: slechts 8 procent van de kinderen met een gemiddelde score op zevenjarige leeftijd groeide later door naar de hoogste categorie.
De stabiliteit van intelligentiescores neemt volgens de onderzoekers pas vanaf ongeveer twaalfjarige leeftijd duidelijk toe. Kinderen die op die leeftijd hoog scoren, behouden die voorsprong aanzienlijk vaker. Dat suggereert dat scholen beter kunnen wachten met het trekken van verstrekkende conclusies over intellectueel talent.
De wetenschappers onderzochten ook welke factoren samenhangen met het behouden van een hoge cognitieve score. Genetische aanleg speelde daarbij de grootste rol. Ook de sociaaleconomische positie van ouders bleek samen te hangen met een stabiel hoog cognitief niveau. Factoren als een chaotische thuissituatie, gedragsproblemen of ingrijpende gebeurtenissen hadden verrassend weinig invloed op de ontwikkeling van de intelligentiescores.

Betrokkenheid bij school

Eén omgevingsfactor sprong er wel uit: schoolbetrokkenheid. Jongeren die zich meer betrokken voelden bij hun school en lessen, lieten gemiddeld een gunstigere cognitieve ontwikkeling zien. Toch bleef de invloed daarvan kleiner dan die van genetische factoren.
Volgens de onderzoekers sluiten de resultaten aan bij de zogenoemde Wilson-effect, waarbij genetische verschillen in intelligentie naarmate kinderen ouder worden steeds duidelijker zichtbaar worden. De studie onderstreept tegelijkertijd dat intelligentie zich in de kindertijd nog sterk ontwikkelt en dat een vroege test geen definitief oordeel geeft over iemands potentieel.
De onderzoekers pleiten daarom voor regelmatige herbeoordeling van leerlingen in plaats van een eenmalige selectie op jonge leeftijd. Wie op zijn zevende uitblinkt, hoeft dat immers niet op zijn zestiende nog te doen en andersom kunnen laatbloeiers zich alsnog ontwikkelen tot de slimste leerlingen van de klas.
loading

Loading