Het aantal mensen met een ADHD-diagnose blijft stijgen. De vraag is natuurlijk: hebben deze mensen echt allemaal ADHD? Want als aandachtsproblemen niet langer de uitzondering zijn maar de norm, wat betekent de diagnose dan nog?
Wat we nu vaak zien als individuele stoornis, kan net zo goed wijzen op een bredere verschuiving in hoe ons brein functioneert. Aandacht vasthouden, plannen, overzicht bewaren, het wordt voor steeds meer mensen moeilijk. Niet alleen door persoonlijke kwetsbaarheid, maar vooral omdat onze omgeving continu concurreert om mentale ruimte.
Onze aandacht ligt permanent onder vuur. Meldingen, mails, appjes, Teams-berichten: ze dringen zich onophoudelijk aan je op. Tegelijk leven we in een digitale arena waarin we voortdurend gezien, beoordeeld, geliket of genegeerd worden. Die combinatie zorgt voor een constante stroom van interne en externe afleiding, waardoor echte aanwezigheid steeds zeldzamer wordt.
We hoeven niets meer zelf te doen
Daar komt bij dat we voor bijna elke taak externe hulp hebben. Navigatie vertelt ons waar we heen moeten, YouTube legt stap voor stap uit hoe iets werkt. Handig, maar het verandert wel hoe we denken. Wie voortdurend leunt op externe ‘cognitieve steigers’, traint minder het vermogen om zelf logische stappen te zetten. Dat begint verdacht veel te lijken op een kernsymptoom van ADHD: moeite met organiseren en doelgericht denken.
Ook onze zintuigen hebben het zwaar. Beelden en geluiden zijn doelbewust ontworpen om onze aandacht te kapen. Wat ooit hielp om gevaar te detecteren, maakt ons nu extreem kwetsbaar voor technologische verleiding. Zelfs als we denken gefocust te zijn, wordt onze aandacht continu weggetrokken.
Executieve functies – plannen, prioriteren, vooruitdenken – hebben rust nodig. Maar die bestaat nauwelijks nog. We moeten meerdere informatiestromen tegelijk verwerken, onder tijdsdruk, zonder tijd om te reflecteren. Het gevolg: analyseverlamming. Zoveel variabelen dat je niet eens meer begint.
Bestaat de ideale mens wel?
Dit roept een ongemakkelijke vraag op: hoe ziet de ‘ideale’ mens eruit? Iemand die zijn telefoon moeiteloos weglegt, geen emotionele trek voelt bij meldingen, zijn doelen scherp houdt en kalm blijft bij onderbreking. Die persoon lijkt steeds meer een theoretisch construct.
Zeker bij kinderen is dat relevant. Elke diagnose impliceert een vergelijking met een norm: het kind dat deze problemen niet heeft. Maar bestaat dat kind wel, in dezelfde digitale en sociale omgeving?
Als we die vraag niet stellen, lopen we het risico normaal menselijk gedrag te pathologiseren. Dan maken we van contextgevoelige kwetsbaarheid een defect. Misschien zegt de ADHD-explosie niet alleen iets over het individuele brein, maar vooral over een beschaving die de grenzen van het menselijk aandachtsvermogen structureel overschrijdt.
Als we aandacht en executieve functies zien als een continuüm en erkennen dat moderne omstandigheden zelfs de meest robuuste zenuwstelsels onder druk zetten, kan een ADHD-diagnose weer worden wat die zou moeten zijn, een serieuze afwijking van een kleine groep mensen.