We leren al jong dat succes is voorbehouden aan wie vroeg kiest, zich snel vastbijt en nooit meer loslaat. Wie afdwaalt, twijfelt of te laat begint, zou per definitie achterop raken. Nieuw onderzoek suggereert precies het tegenovergestelde.
In een omvangrijke studie analyseerden onderzoekers onder leiding van sportwetenschapper Joseph Güllich de loopbanen van meer dan 34.000 topperformers. Het ging om wetenschappers, schakers, musici en topsporters, mensen die uiteindelijk de absolute wereldtop bereikten. De conclusie is duidelijk: vroege uitblinkers zijn zelden de mensen die later de top domineren.
Sterker nog, zo’n 90 procent van de mensen die in hun jeugd de beste waren, blijken niet de toppers te worden op volwassen leeftijd. Nog paradoxaler: wie uiteindelijk het allerhoogste niveau haalt, presteerde in zijn of haar jeugd vaak juist minder goed dan leeftijdsgenoten. Vroeg succes zegt maar weinig over wie het eindstation bereikt.
Dat patroon duikt op in vrijwel elk domein. Topgrootmeesters in schaken stonden als tiener lager gerankt dan hun rivalen. Wereldklasse-atleten probeerden jarenlang meerdere sporten voordat ze zich vastlegden. En toekomstige Nobelprijswinnaars vielen vroeg in hun carrière minder op dan collega’s die later bleven steken bij nominaties.
Volgens de onderzoekers delen de beste volwassen performers drie kenmerken. Ze deden in hun jeugd aan méér verschillende disciplines. Ze maakten juist mínder uren in één smal specialisme. En hun ontwikkeling verliep trager en grilliger. Het pad naar duurzaam topniveau is geen sprint, maar een lange, zoekende weg.
Waarom werkt dat zo? Allereerst vergroot brede verkenning de kans op een goede match tussen talent en motivatie. Wie te vroeg kiest, ontdekt vaak nooit waar hij écht het beste tot zijn recht komt. Daarnaast bouwt veelzijdigheid cognitief kapitaal op: flexibel denken, patroonherkenning en het vermogen om kennis over te dragen tussen domeinen. Ten slotte verkleint spreiding het risico op uitval door burn-out, blessures of motivatieverlies, een bekend probleem bij vroege specialisten.
De implicaties zijn groter dan een geruststelling voor laatbloeiers. Voor werkgevers betekent dit dat vroege topprestaties een zwak signaal zijn voor toekomstig potentieel. Wie alleen lineaire carrières en smalle excellentie beloont, mist waarschijnlijk zijn beste mensen. En voor het onderwijs is de boodschap misschien wel het meest ongemakkelijk: vroeg kiezen voelt efficiënt, maar kan talent structureel onderdrukken.
Misschien moeten we stoppen met mensen vragen wie ze willen zijn, voordat ze de kans hebben gehad dat zelf te ontdekken.