Vintage kleding is hipper dan ooit, maar wie tussen de tweedehandsrekken duikt, vist tegenwoordig vooral polyester op. De vraag is dus: hoe herken je een echte parel?
Volgens stylist en auteur Anouk Océanne, deze week geportretteerd in
Trouw bij de verschijning van haar boek Vintage Forever, is het label een soort plaats delict. "Als je wilt weten hoe oud een kledingstuk is, en of het kwaliteit heeft, dan moet je een soort Cluedo spelen", zegt ze. Lettertype, productieland, of het label gewoven of slordig vastgestikt is, de plek van de rits, de samenstelling van de stof — alles is een aanwijzing.
De grenzen zijn glashelder: alles ouder dan twintig jaar (grofweg 1926–2000) mag zich vintage noemen, alles van vóór 1926 is antiek, en de bulk vanaf 2000 is gewoon tweedehands — en doorgaans van duidelijk mindere makelij. Handige ijkpunten zijn het Woolmark-logo (geïntroduceerd in 1964), het eerste gebruik van nylon (1939) en polyester (1953), en de zijnaadrits die typerend was voor jurken uit de jaren 30 en 40.
Dat herkennen wordt urgenter naarmate de berg groeit. Branchevereniging Kringloop Nederland schat dat er in Nederland jaarlijks
215 tot 300 miljoen kilo kleding wordt weggegooid. De helft verdwijnt in de kliko, de andere helft in containers en kringloop — waar steeds vaker tweedehands-fast-fashion (polyester, nylon, acryl) tussen de rekken hangt.
Een geoefend oog levert daadwerkelijk geld op. Océanne plukte in een Amsterdamse bulkwinkel een Cartier-sjaal van vijftien euro die op
Vinted zo voor tachtig de deur uit gaat. Echte oude Levi's zijn inmiddels zo schaars dat Japanse handelaren elkaar overbieden.
De vintage-jager voelt het kortom: katoen, wol, zijde of linnen tussen de vingers — of toch een berg synthetisch verdriet voor twee euro?