De gemiddelde Nederlandse gepensioneerde huishouden krijgt ruim drieduizend euro bruto per maand binnen. Indrukwekkend? Op papier wel. Maar achter dat gemiddelde gaapt een kloof die met de indexatie van 2026 alleen maar zichtbaarder wordt.
Het klinkt geruststellend: een gepensioneerd huishouden ontvangt gemiddeld
zo'n €3.137 bruto per maand, opgebouwd uit
AOW, werkgeverspensioen en eventueel eigen vermogen, aldus een berekening van
Raisin op basis van cijfers over 2025. Alleenstaanden zitten daar fors onder, met €2.300 tot €2.500 bruto; bij stellen draait het uit op €1.900 tot €2.200 per persoon.
Die bedragen stijgen in 2026 een fractie. De AOW komt voor alleenstaanden uit op €1.637,57 bruto per maand, en voor samenwonenden op €1.122,12 per persoon. Daar bovenop indexeren grote fondsen het aanvullend
pensioen: ABP met 2,84% per 1 januari, BPL Pensioen met 3,2%. De ratio achter die verhogingen: de fondsen staan er financieel goed voor en willen de inflatie deels compenseren.
Maar het gemiddelde maskeert wat er werkelijk gebeurt aan de onderkant. Uit recent onderzoek van het NIDI onder 4,3 miljoen huishoudens blijkt dat ongeveer acht procent — zo'n 325.000 huishoudens — een verwacht pensioeninkomen heeft dat zelfs onder het volledige
AOW-bedrag ligt. Tel je de huishoudens onder de armoedegrens mee, dan komt 39 procent uit op een pensioen dat als ontoereikend kan worden gekwalificeerd. Tegelijk verdienen directeuren-grootaandeelhouders aan de top mediaan zo'n €93.000 per jaar aan pensioen — een factor vijf hoger dan het mediane huishouden.
Het mediane huishouden, schrijft het NIDI, vervangt via AOW en werkgeverspensioen gezamenlijk circa 55 procent van zijn eerdere inkomen. Dat is de norm waar het pensioenstelsel ooit op werd gebouwd, maar niet de werkelijkheid die de meeste mensen verwachten. De gemiddelde €3.137 voedt het beeld dat het wel meevalt; de spreiding eronder vertelt dat de oudedagsvoorziening voor een groeiende groep steeds verder uit beeld raakt — juist nu het nieuwe pensioenstelsel zich aandient.
Dat het gemiddelde stijgt, betekent dus niet dat iedereen erop vooruitgaat. Het betekent vooral dat we het over de verkeerde middenwaarde blijven hebben.