Het kabinet had het zichzelf beloofd: niet meer tornen aan de
hypotheekrenteaftrek, om eindelijk “rust op de
woningmarkt” te brengen. Maar die belofte wankelt nu een ambtelijk rapport haarscherp blootlegt dat de regeling vanaf 2031 technisch én politiek onhoudbaar wordt. Vanaf dat jaar lopen namelijk de eerste 30‑jaars termijnen af, terwijl de Belastingdienst simpelweg niet kan controleren wie nog recht heeft op aftrek en wie niet. De vraag is dus niet óf er iets verandert, maar wie daar de rekening van krijgt.
2031: een technisch probleem met politieke bomkracht
Sinds 2001 geldt een ogenschijnlijk simpele regel: je mag maximaal 30 jaar
hypotheekrente aftrekken. Voor iedereen die in of vóór 2001 al een
hypotheek had, begint die klok op 1 januari 2001 en slaat hij dus in 2031 af. Alleen: er is nooit een centraal register opgezet waarin feilloos wordt bijgehouden hoelang iemand al heeft afgetrokken, terwijl de Belastingdienst die gegevens ook niet decennialang mag bewaren. Gevolg: als er niets gebeurt, kan een deel van de huiseigenaren tot 2043 vrolijk doorgaan met aftrekken, terwijl hun 30 jaar eigenlijk allang voorbij zijn.
Ambtenaren schetsen nu drie smaken, allemaal pijnlijk.
- Per 2031 stoppen met aftrek voor oude hypotheken: goed voor de schatkist (gemiddeld 1,4 miljard euro per jaar extra tussen 2031 en 2043), maar een harde klap voor wie op 30 jaar had gerekend.
- Alles laten doorlopen tot 2043: prettig voor huiseigenaren, maar de staat loopt dan gemiddeld 1,4 miljard per jaar mis.
- Een tussenvorm met geleidelijke afbouw en overgangsregelingen: minder bruut, maar complex én zwaar voor burgers die hun hypotheek moeten oversluiten.
Ondertussen kijkt een coalitie van D66, CDA en VVD zenuwachtig toe, want juist na harde onderhandelingen was afgesproken dat aan de hypotheekrenteaftrek niet meer zou worden gemorreld.
Groep 1: oudere hypotheken (vooral 40-plussers) aan de rand van de 30 jaar
De eerste grote risicogroep: mensen met een hypotheek die al vóór 2001 bestond. Voor hen begon de 30‑jaars termijn in 2001, en dus is 2031 de eindstreep – ongeacht hoeveel er sindsdien is overgesloten of aangepast. Vooral 40‑ en 50‑plussers vallen in deze categorie, omdat zij vaak al lang in hun koopwoning zitten en de hypotheekgeschiedenis ingewikkeld is.
Voor deze groep kan een harde knip of versnelde afbouw betekenen dat hun netto woonlasten in één klap honderden euro’s per maand omhoogschieten. Extra pijnlijk: veel mensen weten niet eens dat hun aftrek in 2031 stopt, laat staan dat er nu al rekening wordt gehouden met eventuele nieuwe politieke ingrepen. Juist zij dreigen straks overvallen te worden – door de Belastingdienst, maar vooral door de politiek.
Groep 2: aflossingsvrije hypotheken – een tikkende tijd- én belastingbom
De tweede grote risicogroep bestaat uit huiseigenaren met (deels) aflossingsvrije hypotheken, vaak afgesloten vóór de strengere regels van 2013. Bij aflossingsvrij blijft de schuld brutaal staan, terwijl de renteaftrek na 30 jaar ophoudt: de maandlasten blijven hetzelfde, maar het fiscale voordeel valt weg. Als de politiek nu kiest voor versnelde afbouw of een harde einddatum in 2031, komt die klap eerder én harder.
Ambtenaren noemen expliciet de optie om de aftrek voor aflossingsvrije hypotheken van vóór 2013 per 2031 te beëindigen. Dat zou betekenen dat juist een groep die vaak dacht “veilig te zitten” met een oude regeling, als eerste aan de beurt is. Voor veel van deze huishoudens geldt bovendien dat hun hypotheek nog hoog is ten opzichte van hun inkomen, waardoor de netto schok direct voelbaar is in het besteedbare inkomen.
Groep 3: hogere inkomens – relatief het meest te verliezen
De hypotheekrenteaftrek is de afgelopen jaren weliswaar versoberd, onder meer doordat het maximale aftrekpercentage omlaag ging, maar het blijft een forse subsidie op wonen in steen, vooral voor hogere inkomens. Wie in de hogere schijven belasting betaalt, kreeg jarenlang het grootste belastingvoordeel per euro hypotheekrente.
Juist deze groep kan in euro’s de grootste klap krijgen wanneer het kabinet kiest voor een harde knip in 2031 of aanvullende versobering. Bovendien speelt hier een politiek risico: een rigide ingreep kan een belangrijk deel van de draagkrachtige middenklasse en bovenmodaal Nederland tegen het kabinet keren, terwijl dat electoraat traditioneel cruciaal is voor partijen als VVD en D66.
Groep 4: starters met hoge schulden en weinig marge
Op papier hebben starters het minst te vrezen: wie na 2013 een annuïtaire of lineaire hypotheek afsloot, voldoet aan de huidige regels en heeft 30 jaar recht op aftrek. Maar in de praktijk is hun positie kwetsbaar, omdat ze vaak hoge hypotheken hebben ten opzichte van hun inkomen, lagere buffers en al geconfronteerd zijn met een afbouw van het maximale aftrekpercentage.
Als het kabinet, onder druk van het miljardengat, besluit de regeling verder te beperken of een plafond op de aftrek in te voeren, worden juist starters extra geraakt. Zij hebben het minste vet op de botten om onverwachte lastenverzwaring op te vangen, zeker in combinatie met andere maatregelen uit hetzelfde coalitieakkoord, zoals een hoger verplicht eigen risico in de zorg.
Politiek dilemma: wie offer je op?
Voor de coalitie is de hypotheekrenteaftrek uitgegroeid tot een klassieke splijtzwam. De VVD schermt met de formatiebelofte om niet aan de fiscale behandeling van de eigen woning te komen, terwijl D66 en CDA juist jarenlang hebben gepleit voor afbouw. Niets doen lijkt politiek veilig, maar juristen en ambtenaren waarschuwen dat dat leidt tot willekeur: sommige huishoudens krijgen langer dan 30 jaar aftrek, anderen niet, puur door administratieve toevalligheden.
Welke optie het kabinet ook kiest, iemand wordt onvermijdelijk het kind van de rekening: oudere huiseigenaren met aflossingsvrij, hogere inkomens met een riante aftrek, of jonge huizenkopers met toch al weinig ademruimte. De strijd om de hypotheekrenteaftrek draait daarmee minder om techniek en meer om een politieke keuze: welke groep durf je pijn te doen?