Mannen praten zelden openlijk over hun onzekerheden, maar dat betekent niet dat ze er niet mee worstelen. Uit onderzoek van
Spuiten en Slikken en 3Vraagt blijkt dat ruim vier op de tien Nederlandse mannen onzeker is over hun uiterlijk, vooral over hun lichaam (48 procent),
geslachtsdeel (23 procent) en gezicht (22 procent). Dat schuurt met het hardnekkige ideaal van de altijd zelfverzekerde man.
Ouder worden en zichtbare lichamelijke veranderingen – een terugtrekkende haargrens, rimpels, een buikje – raken aan dat ideaalbeeld. Net als lengte, spiermassa en lichaamsbeharing: veel
mannen voelen zich “te klein”, “te dun” of schamen zich voor rug- of borsthaar, ook al blijkt uit onderzoek onder Lowlands-bezoekers dat 72 procent van de mannen in feite tevreden is over zijn geslachtsdeel en partners het doorgaans minder problematisch vinden dan zijzelf. De kloof tussen werkelijkheid en vertekende beelden op sociale media en in reclame vergroot die twijfel.
Minstens zo diep snijdt de angst om geen goede vader, partner of kostwinner te zijn. Traditionele mannelijkheidsnormen schrijven voor dat een man sterk, succesvol en emotioneel beheerst moet zijn, waardoor falen op die terreinen voelt als falen als mens. De Wereldgezondheidsorganisatie wijst erop dat
mannen juist door die normen minder snel hulp zoeken bij mentale problemen, terwijl ze wel een hoger risico op zelfdoding hebben.
Over gevoelens praten blijft voor veel
mannen een taboe. Wie zijn
emoties toont, vreest al snel als zwak of “niet mannelijk genoeg” te worden gezien, binnen vriendengroepen en op de werkvloer. Juist daarom is het opvallend hoopvol dat steeds meer mannen in documentaires, podcasts en series wél vertellen over hun schaamte voor hun lichaam, hun angst om te falen en hun depressieve klachten. Misschien komen veel mannen er dan toch nog achter dat praten over je gevoelens niet gek is en helpt.