Het kabinet negeert een Kamerwens om
salarissen in de publieke en semipublieke sector direct te begrenzen en houdt medisch specialisten buiten de Wet normering topinkomens. Intussen werkt VWS aan een transparantiewet die later de opmaat kan worden naar harde inkomensplafonds.
Het kabinet heeft besloten
medisch specialisten voorlopig niet onder de Wet normering topinkomens (WNT) te laten vallen. Een motie uit de Tweede Kamer om salarissen van werknemers in de publieke en semipublieke sector, inclusief specialisten, aan banden te leggen, gaat daarmee de la in. Voor topfunctionarissen in die sectoren geldt in 2026 een officieel bezoldigingsmaximum van 262.000 euro per jaar, maar artsen-specialisten zitten daar vaak ruim boven.
Staatssecretaris
Eric van der Burg (VVD) benadrukt in een brief aan de Kamer dat inkomensbegrenzing voor medisch specialisten niet langs de WNT-route zal lopen. Het ministerie van Volksgezondheid werkt eerst aan een wetsvoorstel dat alle specialisten verplicht hun inkomen transparant te maken, omdat er nu te weinig zicht is op wat artsen precies verdienen. Pas daarna wil het kabinet besluiten of er een apart maximum komt voor zowel specialisten in loondienst als vrijgevestigde artsen. Eerder werd een politieke afspraak gemaakt om vanaf 2027 150 miljoen euro te besparen op de inkomens van artsen, maar demissionair minister Jan Anthonie Bruijn noemde die datum al „waarschijnlijk niet meer mogelijk” vanwege de juridische complexiteit.
Top 5 grootverdieners (in loondienst, ziekenhuis)
| Rang | Specialisme | Indicatief bruto jaarsalaris* |
| 1 | Neurochirurg | ca. €230.000–€237.300 manners+1 |
| 2 | Chirurg (heelkunde) | ca. €193.000–€196.200 manners+1 |
| 3 | Orthopedisch chirurg | ca. €188.900 beaks |
| 4 | Anesthesioloog | ca. €183.000–€187.900 manners+1 |
| 5 | Medisch microbioloog | ca. €195.900 |
Dat betekent dat de mega-inkomens van medisch specialisten nog minstens enkele jaren onaangeroerd blijven, terwijl het symbolische maximum voor andere topfunctionarissen wel keurig jaar op jaar wordt geïndexeerd. Politiek wordt zo een gevoelige keuze gemaakt: eerst informatie vergaren, pas daarna ingrijpen. Transparantie klinkt onschuldig, maar in de praktijk is het vaak de eerste stap naar normering; zodra inkomens zwart-op-wit op tafel liggen, wordt de druk om grenzen te stellen vanzelf groter.
Tegelijkertijd laat het uitstel van de bezuiniging zien hoe lastig het is om een beroepsgroep met grote lobbykracht en cruciale maatschappelijke rol financieel te korten. Het politieke risico van een ruzie met specialisten – met mogelijke gevolgen voor wachtlijsten en beschikbaarheid – weegt nu blijkbaar zwaarder dan het principiële idee van gelijkheid met andere (semi)publieke topfuncties. De kernvraag wordt daarmee nijpend: hoe lang kan de overheid verantwoorden dat de chirurg wel boven de norm mag verdienen, terwijl de ziekenhuisbestuurder, schooldirecteur en woningcorporatiebestuurder aan een strak plafond vastzitten?