We zijn na
corona gewend geraakt aan het idee van gevaarlijke
virussen, maar SARS‑CoV‑2 haalt niet eens de top 10 als je kijkt naar de kans dat je overlijdt nádat je besmet bent.
Sommige virussen doden namelijk tientallen tot zelfs bijna honderd procent van de geïnfecteerden.Hoe is deze ranking gemaakt?
In dit overzicht gaat het om de zogeheten case fatality rate: het percentage besmette mensen dat overlijdt aan de infectie. Niet om het totaal aantal doden wereldwijd. Een
virus kan dus extreem dodelijk zijn, maar weinig slachtoffers maken omdat het zelden overspringt op mensen.
Belangrijk om te weten:
- Cijfers zijn schattingen op basis van WHO en andere gezondheidsinstanties.
- Voor zeldzame virussen gaat het vaak om kleine uitbraken en dus om beperkte data.
- De meeste van deze virussen zijn zoönotisch: ze komen oorspronkelijk uit het dierenrijk.
1. Hondsdolheid (rabies) – bijna altijd fataal
Hondsdolheid is de onbetwiste nummer één: eenmaal ziekteverschijnselen, is de kans op overleven vrijwel nul. Het virus tast het centrale zenuwstelsel aan, leidt tot verlamming, verwardheid en uiteindelijk de
dood. Jaarlijks sterven naar schatting 59.000 mensen, vooral in Afrika en Zuidoost‑Azië.
De ironie: hondsdolheid is goed te voorkomen. Wie na een beet van een besmet dier snel wordt behandeld met vaccin en antistoffen, kan de ziekte vrijwel altijd voorblijven. Dat dit toch zo vaak misgaat, komt vooral door gebrekkige toegang tot gezondheidszorg en vaccins in armere regio’s.
2. Herpes B (B‑virus) – ongeveer 80 procent sterfte
Herpes B, ook wel B‑virus, circuleert vooral onder makaken (
apen) en springt zelden over op mensen. Gebeurt dat wel, dan is het levensgevaarlijk: naar schatting overlijdt zo’n 80 procent van de besmette patiënten zonder snelle behandeling. Wereldwijd zijn tot nu toe slechts 21 doden beschreven, maar dat is bij zeer weinig bekende besmettingen.
De meeste gevallen deden zich voor bij mensen die beroepsmatig met apen werken, bijvoorbeeld in laboratoria of dierentuinen. Voor de gewone reiziger of stadsbewoner is het risico verwaarloosbaar, maar virologen kijken er met argusogen naar: het laat zien hoe een relatief onbekend virus in theorie grote schade kan aanrichten.
3. Lujo‑virus – ook rond 80 procent sterfte
Het Lujo‑virus is een zeldzame, virale hemorragische koorts, voor het eerst ontdekt in 2008 in Zambia en Zuid‑Afrika. Bij de kleine cluster die toen werd beschreven, stierven vier van de vijf patiënten: een sterfte rond de 80 procent.
Omdat het om zulke kleine aantallen gaat, blijft er veel onzeker. Wel is duidelijk dat het virus vermoedelijk via knaagdieren circuleert en via contact met lichaamsvloeistoffen kan worden overgedragen. Dat maakt het voor artsen en verpleegkundigen extra riskant tijdens uitbraken.
4. Nipah‑virus – tussen 40 en 75 procent sterfte
Nipah is een van de virussen die het meest tot de verbeelding spreken: hoge sterfte, overdracht van dier op mens én beperkte, maar wel reële mens‑tot‑mensbesmetting. De case fatality rate varieert per uitbraak, maar ligt grofweg tussen de 40 en 75 procent.
Het virus wordt in verband gebracht met vleerhonden (vruchtetende vleermuizen). Het dook onder meer op in Bangladesh, India en Maleisië. Patiënten krijgen koorts, ademhalingsproblemen en vaak ernstige encefalitis (hersenzwelling). Gezondheidsorganisaties vrezen dat een beter aan mensen aangepast Nipah‑virus in theorie een volgende pandemie zou kunnen veroorzaken.
5. Hendra‑virus – circa 57 procent sterfte
Hendra‑virus werd voor het eerst ontdekt in Australië, bij paarden en hun eigenaren. Ook dit virus komt uit vliegende vossen (grote vleermuizen) en kan via paarden overspringen op mensen. Bij de beschreven infecties tot nu toe overleed naar schatting 57 procent van de patiënten.
Australië heeft inmiddels een paardenvaccin tegen Hendra. Daarmee wordt het risico op overspringen naar mensen teruggedrongen, maar volledig verdwenen is het niet. Het virus laat zien hoe belangrijk veterinair toezicht is voor de menselijke gezondheid.
6. Ebola – rond de 50 procent sterfte
Ebola werd wereldwijd een begrip na de grote uitbraak in West‑Afrika tussen 2014 en 2016, waarbij meer dan 11.000 mensen omkwamen. Gemiddeld ligt de sterfte rond de 50 procent, al varieert dat per virusvariant en per kwaliteit van de zorg.
Het virus veroorzaakt een virale hemorragische koorts: naast hoge koorts en zwakte kunnen inwendige en uitwendige bloedingen optreden, gevolgd door orgaanfalen. Inmiddels bestaan er experimentele vaccins en behandelingen, die tijdens recente uitbraken al zijn ingezet – met duidelijk lagere sterftecijfers als resultaat.
7. Marburg‑virus – eveneens rond 50 procent sterfte
Marburg is een naaste verwant van Ebola en veroorzaakt een vergelijkbare hemorragische koorts. De ziekte werd in de jaren zestig voor het eerst beschreven bij laboratoriummedewerkers in de Duitse stad Marburg, die met besmette apen werkten. Sindsdien zijn vooral uitbraken gemeld in Centraal‑ en Sub‑Saharaans Afrika.
Ook hier liggen de sterftecijfers gemiddeld rond de 50 procent, soms hoger. De natuurlijke gastheer lijkt, net als bij sommige andere dodelijke virussen, een soort vleermuis te zijn. Dat maakt controle lastig: je kunt vleermuizen moeilijk “uitroeien” zonder enorme ecologische schade.
8. Vogelgriep H5N1 – ongeveer 50 procent sterfte bij bekende gevallen
Het H5N1‑virus is berucht bij pluimveehouders én bij epidemiologen. Het verspreidt zich vooral onder vogels, maar af en toe raakt ook een mens besmet. Onder de bevestigde menselijke gevallen ligt de sterfte rond de 50 procent.
De crux: H5N1 wordt (voorlopig) nauwelijks efficiënt van mens tot mens overgedragen. Maar zolang het virus circuleert in enorme aantallen vogels, blijft het muteren. De grote angst is een variant die én makkelijk overspringt tussen mensen én zijn hoge dodelijkheid grotendeels behoudt.
9. Krim‑Congo hemorragische koorts (CCHF) – 10 tot 40 procent sterfte
Crimean‑Congo Hemorrhagic Fever (CCHF) is een virale hemorragische koorts die wordt overgedragen door teken en via besmet vee. De ziekte komt voor in delen van Afrika, de Balkan, het Midden‑Oosten en Azië. De sterfte varieert per uitbraak, maar ligt grofweg tussen 10 en 40 procent.
Omdat de ziekte geografisch vrij wijd verspreid is en ook mensen treft die met vee werken, zoals boeren en slachthuismedewerkers, vormt CCHF een blijvende zorg voor gezondheidsdiensten. Bestrijding van teken en beschermende kleding zijn cruciale maatregelen.
10. MERS‑CoV – circa 36 procent sterfte
MERS‑CoV (Middle East Respiratory Syndrome) is een coronavirus dat in 2012 voor het eerst opdook in Saudi‑Arabië. De meeste patiënten kregen ernstige longontsteking en ademhalingsproblemen; ongeveer 36 procent van de gemelde gevallen overleed.
Dromedarissen zijn de belangrijkste dierlijke bron. Mens‑tot‑mensbesmetting komt vooral voor in zorginstellingen. Dat MERS nooit een wereldwijde pandemie werd, heeft vooral te maken met de relatief beperkte besmettelijkheid vergeleken met bijvoorbeeld het coronavirus achter covid‑19.
Waarom zien we deze virussen (nog) niet dagelijks in het nieuws?
Opvallend: de meeste van deze virussen infecteren relatief weinig mensen per jaar. Sommige zijn geografisch beperkt, andere springen maar zelden van dier op mens. Ze zijn dus extreem dodelijk, maar niet per se “succesvol” als het gaat om verspreiding.
Virussen als corona en de gewone
griep zijn juist minder dodelijk, maar veel besmettelijker. Daardoor maken ze uiteindelijk veel meer slachtoffers in absolute aantallen. Vanuit evolutionair perspectief is een virus dat zijn gastheer te snel doodt, vaak minder efficiënt in verspreiding.