Nederland dacht altijd een waterland te zijn. Deze zomer bewijst het tegendeel: bij Lobith stroomde in juli minder
water ons land binnen dan ooit gemeten in die maand, en het kabinet erkende een feitelijk watertekort. De oorzaak ligt niet alleen in de Nederlandse
hitte, maar duizend kilometer stroomopwaarts. De Alpengletsjers die de Rijn in droge zomers overeind hielden, smelten in een tempo waardoor ze binnen enkele decennia nauwelijks meer meetellen.
Dat maakt het watertekort structureel in plaats van incidenteel.Een record dat niemand wilde
Op 15 juli 2026 sneuvelde het laagterecord van 1976. Waar in juli normaal zo’n 1.900 tot 2.000 kubieke meter per seconde bij Lobith Nederland binnenstroomt, zakte de afvoer eerst onder de 782 kuub uit het rampjaar 1976 en daarna richting 715 kubieke meter per seconde — het laagste ooit gemeten voor een julimaand. Rijkswaterstaat noemde het zonder omhaal “echt heel laag, zeker zo vroeg in de zomer”.
Het probleem zit in de bron. De afvoer bij Basel, waar het Zwitserse water de Rijn in gaat, lag deze maand rond de 450 tot 550 kubieke meter per seconde. De mediaan voor deze periode ligt op ongeveer 1.200. Er komt dus letterlijk minder dan de helft van het gebruikelijke water uit de
Alpen.
De Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling schaalde op 1 juli op naar ‘dreigend watertekort’ en op 16 juli naar ‘feitelijk watertekort’ — voor het eerst in vier jaar. Het neerslagtekort naderde eind juli de 275 millimeter, tegen 290 millimeter in recordjaar 1976.
Waarom de Alpen dit jaar zo weinig leveren
De Zwitserse gletsjers begonnen dit seizoen al met een achterstand. De sneeuwlaag die in de winter 2025/2026 op het ijs viel, was op sommige gletsjers dunner dan ooit gemeten. Begin mei lag er landelijk een kwart minder sneeuw dan gebruikelijk aan het einde van de winter.
Op 29 juni 2026 bereikte Zwitserland de Glacier Loss Day: het moment waarop alle winterreserve is opgesmolten en de gletsjers eeuwenoud ijs beginnen te verliezen. Alleen in 2022 viel die dag nog vroeger. Normaal gebeurt dit pas in augustus. Op het hoogtepunt van de hittegolf stroomde er zoveel smeltwater van de Zwitserse gletsjers dat er elke zes seconden een olympisch zwembad mee gevuld kon worden.
Dat smeltwater komt nog wel, maar de voorraad waaruit het komt slinkt hard:
| Periode | Verlies gletsjervolume Zwitserland |
| 1990–2000 | 10% |
| 2000–2010 | 14% |
| 2010–2020 | 17% |
| 2015–2025 | 24% |
In 2025 alleen al verdween 3 procent van het ijsvolume — het vierde grootste verlies ooit, na 2022, 2023 en 2003. Er resteert nog ongeveer 45 kubieke kilometer ijs in Zwitserland, 30 kubieke kilometer minder dan in het jaar 2000. Meer dan duizend kleine gletsjers zijn simpelweg verdwenen.
Van gemengde rivier naar regenrivier
Hier zit de kern van het structurele probleem. De
Rijn was altijd een gemengde rivier: in de winter gevoed door regen, in de zomer aangevuld door smeltende sneeuw en ijs uit de Alpen. Precies in de maanden waarin het in Noordwest-Europa droog is, kwam er extra water uit de bergen.
Over een heel jaar gemeten is de bijdrage van gletsjersmelt bescheiden: ongeveer 2 procent bij Basel en 1 procent bij Lobith. Maar in extreem droge situaties loopt dat aandeel op tot een kwart van de afvoer. Juist op de momenten dat Nederland het hardst water nodig heeft, was het gletsjerijs de noodvoorraad.
Die noodvoorraad is over zijn hoogtepunt heen. Onderzoekers spreken van ‘glacier peak water’: het moment waarop een krimpende gletsjer maximaal smeltwater levert, waarna de bijdrage alleen nog afneemt omdat er simpelweg te weinig ijs over is. Voor de Rijn bij Basel is dat punt al gepasseerd. Bij ongewijzigd beleid daalt de bijdrage richting nul aan het einde van deze eeuw. Onderzoek dat het Deltaprogramma aanhaalt, verwacht dat gletsjers tegen 2100 vrijwel geen water meer leveren aan de laagwaterafvoer.
Daar komt de
sneeuw bij, en die telt zwaarder. Smeltwater uit sneeuw is goed voor 39 procent van de jaarlijkse afvoer bij Basel en 34 procent bij Lobith. Bij verdere opwarming valt in de lagere bergketens steeds vaker regen in plaats van sneeuw, en smelt wat er ligt eerder in het jaar weg. De Zwitserse klimaatscenario’s ramen dat de gemiddelde jaarlijkse watervoorraad in het sneeuwdek tegen het einde van de eeuw met 42 tot 78 procent afneemt, afhankelijk van het klimaatbeleid.
Het resultaat: de Rijn wordt een regenrivier. Meer water in de winter, minder in de zomer, en een jaartotaal dat nauwelijks verandert — waardoor het probleem in statistieken over jaargemiddelden onzichtbaar blijft. Volgens de doorrekening van de KNMI’23-scenario’s zijn afnames van de zomerafvoer van 15 tot 20 procent bepaald niet onwaarschijnlijk.
Wat dat voor Nederland betekent
In de zomer levert de Rijn ongeveer 80 procent van al het zoete water in Nederland. Valt die aanvoer weg, dan stapelen de gevolgen zich op.
- Verzilting. Minder rivierwater betekent minder tegendruk tegen zout zeewater, dat via de Lek, de Hollandsche IJssel en de Nieuwe Waterweg landinwaarts kruipt. De Klimaatbestendige Wateraanvoer werd deze zomer opgeschaald naar de maximale capaciteit en Stuw Hagestein werd deels opengezet om zout weg te spoelen.
- Scheepvaart. Delfland stremde eind juli drie sluizen volledig; op de Maas kunnen de wachttijden bij sluizen oplopen tot twee uur omdat ze minder vaak schutten.
- Landbouw en natuur. Onttrekkingsverboden gelden inmiddels in tal van waterschappen, vistrappen krijgen minder water en de eerste meldingen van blauwalg en vissterfte kwamen al in juni binnen.
- Drinkwater. Acute knelpunten zijn er niet, maar in Noordoost-Twente kregen 46.000 klanten van Vitens al bericht dat de waterdruk deze zomer lager kan uitvallen.
- Verdeling onder druk. Bij een feitelijk watertekort treedt de verdringingsreeks in werking: dijkveiligheid en onomkeerbare natuurschade eerst, dan drinkwater en energie, en pas daarna scheepvaart en landbouw.