Een viraal plaatje vergelijkt prijzen uit 2006 met die van 2026 en de conclusie lijkt simpel: alles werd twee keer zo
duur. Maar achter dat gemiddelde schuilt een veel ongemakkelijker verhaal — over welke prijzen ontspoorden, en welke keurig binnen de bandbreedte bleven.
Een huis kostte in 2006 gemiddeld 235.000 euro, becijferden
CBS en Kadaster. In februari 2026 stond de teller volgens
De Hypotheker op 487.768 euro. De zorgpremie ging in dezelfde periode van 88 naar bijna 159 euro per maand: een stijging van 80 procent,
meldt vergelijkingssite Overstappen.nl. De energierekening werd na de gascrisis van 2022 een achtbaan en blijft volgens
Energievergelijk ook in 2025 rond de 2.000 euro per jaar hangen.
Je kunt een festival overslaan of zelfs de vakantoe; je kunt niet besluiten dit jaar even niet te wonen of niet ziek te worden.
Het modale inkomen volgde slechts gedeeltelijk: van zo'n 29.500 euro in 2006 naar 48.000 euro in 2026, raamt het
Centraal Planbureau. Een plus van ruim zestig procent — flink, maar niet genoeg om gelijke tred te houden met de vaste lasten.
Niet alles werd twee keer zo duur — en daar zit het probleem
De schok zit niet in het gemiddelde, maar in de
scheefgroei. Brood, bier en koffie volgden grotendeels keurig de cumulatieve
inflatie, die volgens het
CBS ook in 2025 nog 3,3 procent bedroeg. De buitencategorie —
wonen, zorg, energie — ontsnapte aan de zwaartekracht. En precies die kosten zijn niet optioneel. Je kunt een festival overslaan of zelfs de vakantoe; je kunt niet besluiten dit jaar even niet te wonen of niet ziek te worden.
Daar komt bij dat de lage hypotheekrente die de woonlasten lange tijd kunstmatig dempte, sinds 2023 weer richting vier procent kruipt. Wie nu instapt op een huis van een half miljoen, betaalt in absolute euro's beduidend meer dan zijn ouders ooit deden. De middenklasse die twintig jaar geleden vanzelfsprekend kocht, huurt en wacht nu af.
De gemiddelde Nederlander werd niet armer. Het normaal van 2006 werd alleen onbetaalbaar.