Waarom hebben jij en ik een kin? Onze kat heeft hem niet, de hond niet, zelfs de aaap niet? Zelfs onze uitgestorven neef de neanderthaler had er geen zoals wij die kennen. Dat maakt die kleine vooruitstekende rand onderaan het gezicht tot een evolutionaire vreemde eend in de bijt.
Lang is gezocht naar een ‘nut’: helpt een kin bij spreken, bij kauwen, bij het sterker maken van de onderkaak?
(hij helpt bij selfie...) Het probleem: voor bijna elke vermeende functie is ook wel een tegenvoorbeeld te vinden. Veel dieren spreken niet en hebben toch stevige kaken; veel mensen met uiteenlopende kin-vormen functioneren prima. En
evolutie is niet verplicht om elk opvallend verschil keurig te verklaren met een doel.
Nieuw onderzoek gooit het daarom over een andere boeg: misschien is de kin geen aanpassing, maar een spandrel — een bijproduct. Antropologen vergeleken honderden schedels van mensen en mensapen en keken naar tientallen meetpunten op schedel en kaak, waaronder specifieke maten rond de ‘kinregio’. Hun conclusie: veel eigenschappen die samen onze kin vormen, lijken niet het resultaat van directe natuurlijke selectie op “een kin”, maar van veranderingen elders in het hoofd die wél onder selectie stonden.
Wat voor veranderingen? Denk aan de herinrichting van ons gezicht door de groei van de hersenschedel en een minder vooruitstekend aangezicht, plus een kleiner wordende kaak door dieet- en kauwveranderingen. Als de bovenkaak en het middengezicht zich in de evolutie anders positioneren, kan de onderkaak optisch en anatomisch relatief meer naar voren komen te staan. De kin verschijnt dan niet omdat hij “handig” is, maar omdat andere bouwprojecten in het hoofd hun eigen consequenties hebben.